Uitgelicht

Cursus Bijbels Hebreeuws


Bijbels Hebreeuws studeren met een hebraïst en theoloog?


Cursus Hebreeuws lezen, gebaseerd op het boek van H. Jagersma.

Na afloop van deze cursus ben je in staat de basisgrammatika van het Hebreeuws te gebruiken en zelfstandig de Hebreeuwse tekst van het OT te vertalen en te begrijpen. 

Dit is géén taalcursus! De bedoeling is de hebreeuwse achtergrond van de vertalingen (SV en HSV en NBV) te begrijpen en te zien wat in het Hebreeuwse origineel gaande is. Daarvoor is geen volkomen beheersing van de Hebreeuwse grammatika nodig en dat wordt dan ook niet nagestreefd.

Voor diegenen die het Hebreeuwse alfabet nog niet kennen en de grondbeginselen van de Hebreeuwse taal nog moeten leren, is er een aparte instapcursus via Skype. Deze werkt met de Grammatika van Weingreen. Deze duurt 5 lessen en kost €  35,- per maand. 

Je moet voor de cursus aanschaffen: Prof. dr. H. Jagersma, Basiscursus Bijbels Hebreeuws, 2e druk, (c) 1994, te vinden op http://www.teologia.nl en bij bol.com. 

Het is aan te raden voor diegenen die ook Engels kunnen lezen om te gebruiken: 

A Reader’s Hebrew Bible, A. Philip Browm II en Bryan W. Smith, Zondervan (c) 2008 of later.

Of de Reader’s Edition van de Biblia Hebraica. Door deze edities te gebruiken lees je sneller en meer tekst, en ben je minder afhankelijk van een woordenboek.

We maken ook gebruik van diverse websites, zoals http://biblewebapp.com/study/, en https://hb.openscriptures.org/.

  • De cursus, inclusief mondeling onderwijs (4 uur per maand) kost €  50,-  per maand.   
  • In principe doe je over de gehele cursus 8 maanden, d.i. wanneer je één les per week doet.            

Cursus Bijbels Hebreeuws, gebaseerd op het boek van H. Jagersma.

Uitverkoren volk of volk van vrijwilligers? Sjavoe’ot in Israël

Met het Pinksterfeest vieren joden Sjavoe’ot, het Wekenfeest. De hele nacht wordt gestudeerd in de Thora, en er wordt kwarktaart gegeten, als een gedachtenis aan het geven van de Thora op de berg Sinai.

—————————————————————————————————————————-

Is er een christelijk feest waarin we zo nadrukkelijk onze blijdschap uiten over het feit dat wij uit Gods handen de Bijbel hebben ontvangen?

Joden vieren het feit dat Israël is uitverkoren om een speciale verbinding te hebben met de thora en de geboden. Sommige joden hebben het daar moeilijk mee. Betekent dat, dat joden zichzelf moeten zien als een betere mensen in Gods ogen? Wat betekent de uitverkiezing van Israël dan?

God zegt in Zijn Thora. “Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg” (Ex. 19:17)

Rabbi Avdimi bar Hama bar Hasa zegt daarover:

“Stonden onder aan de berg” betekent niet aan de voet van de berg, maar letterlijk onder de berg Sinai. Deze woorden leren ons, dat God de berg beet pakte en haar omdraaide en boven het hoofd van de mensen hield als een gigantische badkuip. God sprak: “als je de Thora aanvaard, is het goed; zo niet, zal dit je graf zijn.”

Het aanvaarden van de Thora was bepaald geen privilege maar eerder een ultimatum. Israël accepteerde de Thora om zichzelf te beschermen.

Rav Aha bar Yaakov zegt daarom dat dit verbond met God waarschijnlijk in een rechtszaak niet overeind zou blijven. Als een hemelse rechter zou vragen waarom iemand de geboden niet gehoorzaam was, zou iemand gewoon kunnen uitleggen dat het verbond met God met de wang was opgelegd, en om die reden nooit een geldig contract geweest was.

Rava legt vervolgens uit dat honderden jaren later, in de tijd van Esther, het Joodse volk uiteindelijk vrijwillig de Thora geaccepteerd heeft. Er staat immers in Esther 9:27,

“De Joden stelden vast en namen de verplichting op zich, voor zichzelf, voor het nageslacht er voor allen die zich bij hen zouden aansluiten.”

Waarom staat er “stelden vast” en bovendien “namen de verplichting op zich”? Is dat geen overbodige verdubbeling? Maar Rava legt uit: “de Joden besloten om vast te stellen, maar nu vrijwillig, dat de Thora gehoorzaamd zou worden. Wat ze eerder onder dwang hadden aanvaard. En zij namen de verplichting op zich, maar nu vrijwillig, dat zij de Thora toch wilde aanvaarden.

De verkiezing van Israël om de Thora te aanvaarden is theologisch dus niet zo belangrijk. Die verkiezing werd aan de voet van de berg afgedwongen en opgelegd. Uiteindelijk is het onze vrije keuze om de Thora te aanvaarden en ons die eigen te maken, vrijwillig en zonder dwang van buiten.

(Vrij naar Sarah Wolf, assistant professor of Talmud and rabbinics at the Jewish Theological Seminary in New York.)

Modeh ani – weten voor wie je leeft

Modeh ani is een kort gebed dat we uitspreken meteen nadat we wakker zijn geworden en beseffen dat we bij bewustzijn zijn, en nog dezelfde zijn als wij de vorige dag waren. En dat we dit feit niet zomaar als vanzelfsprekend aannemen, maar meteen onze Schepper danken dat Hij dit heeft bewerkstelligd.

De vertaling luidt:
Ik dank u (erken voor u) voor uw aangezicht (waarvoor ik sta en leef de hele dag die nu is aangebroken), koning die leeft en eeuwig (staat) is (zodat ik uw koningschap over mij leven meteen erken), dat u (het bent die) in mij mijn ziel (mijn persoonlijke leven, nesjama) hebt doen terugkeren (die in de slaap niet langer aanwezig was) in barmhartigheid (hebt U dat gedaan). Groot is uw trouw o Heer.

Hierbij plaats ik een fraaie gezongen versie. (Maar normaal wordt het modeh ani niet gezongen maar gewoon zachtjes uitgesproken.)

https://drive.google.com/file/d/1jflOwUPuLhfULwJagYmedOEKZSufiU0b/view?usp=sharing

De Hebreeuwse Bijbel volgens Robert Alter

In mijn boekenkast staat sinds gisteren “The Hebrew Bible”, een vertaling van het Oude Testament door Robert Alter.

Een goede vriend maakte mij attent op het werk van Robert Alter, die zijn sporen heeft verdiend in de literaire interpretatie van 18e en 19e-eeuwse literatuur, en ook van de moderne Hebreeuwse literatuur. Min of meer toevallig waagde hij zich aan een paar artikelen over teksten uit Genesis en de verhalen van koning David. Dat groeide uit tot een tweetal boeken over de narratieve analyse van Bijbelse teksten.

“The Art of Biblical Narrative” (1981) en “The Art of Biblical Poetry” (1985) zijn daarvan het gevolg. Het werk van de vertaling begon vrij snel daarna en tussen 1996 en 2015 vertaalde Alter het hele Oude Testament.

Het bijzondere van deze vertaling is zijn nauwkeurige analyse van de structurele kenmerken van de oude Hebreeuwse teksten. Het is zijn overtuiging dat het heilige karakter van de tekst juist het beste tot uitdrukking komt, wanneer rekening wordt gehouden met de syntactische en literaire structuren van de Hebreeuwse literatuur. Dogmatische overwegingen mogen geen rol spelen bij de weergave van de tekst.

Alter maakt ook geen gebruik van historische tekstkritiek waardoor bijvoorbeeld het boek Genesis wordt toegeschreven aan een aantal gereconstrueerde bronnen plus een jarenlange redactionele arbeid tot dat de tekst zijn huidige vorm kreeg. Evenmin lijkt hij zich iets aan te trekken van de Masoretische vocalisatie, dat wil zeggen de manier waarop de middeleeuwse joodse geleerden in Palestina en Babylon de Hebreeuwse Bijbel voorzagen van klinker- en voordrachttekens. Dat was een poging om de betekenis van de teksten nauwkeurig vast te leggen en dubbelzinnigheid uit te sluiten.

De benadering van de Hebreeuwse tekst zonder het werk van de Masoreten als gezaghebbend te beschouwen, heeft soms grote gevolgen voor de vertaling. En dat geldt ook voor de manier waarop de structuur van een tekst medebepalend wordt voor de betekenis ervan.

Een fraai voorbeeld van de verschillen die dan ontstaan, tussen de literaire benadering en de standaardvertalingen, is te vinden in Genesis 1:1.

De standaard vertalingen zeggen zoiets als: “In het begin schiep God de hemel en de aarde, en de aarde nu was woest en leeg en duisternis was boven de afgrond en de Geest van God zweefde over de wateren. En God zei: “laat er licht zijn.” En er was licht.

Alter vertaalt nu als volgt:
When God began to create heaven and earth, and the earth then was welter and waste and darkness over the deep and God’s breath hovering over the waters, God said: “Let there be light.” And there was light.

Je ziet meteen het verschil. Nu is vers 1 een aanduiding van een omstandigheid, een situatie. Ook van de aarde wordt een toestand uitgedrukt. De echte handeling, waarmee de geschiedenis begint, is dan pas te vinden wanneer God begint te spreken.

Dat is volkomen in overeenstemming met wat we weten van de syntaxis – de manier waarop zinsdelen met elkaar worden verbonden – van het Hebreeuws. Maar het is ook volkomen in strijd met de manier waarop de Masoreten geprobeerd hebben om de Hebreeuwse tekst van klinkertekens te voorzien.

Zij lazen: Be-resjiet bara elohiem. En daarom vertaalde men: in (be) het begin (resjiet) schiep (bara) God (elohiem). Waarom is dat nu verkeerd?

Omdat “resjiet” niet betekent “het begin”, maar “een begin van”. Omdat “bara” een interpretatie van de masoreten is van de letters BRA, dat ook – en waarschijnlijker – gelezen kan worden als BeRO, het scheppen. Daardoor krijgt resjiet de aanvulling die het grammatikaal nodig heeft en kunnen we vertalen: een begin van het scheppen. Het geheel krijgt dan de status van een “nominale zin” die doorgaans gebruikt wordt om een omstandigheid of situatie uit te drukken. In de meeste verhalende teksten zijn dergelijke zinnen een inleiding tot een volgende verbale zin, waarin een handeling wordt weergegeven door een zogenaamde “narratief” – een constructie van “ve”(meestal vertaald met “en”) plus een toekomende tijd met een klankverkorting. We jomar (en hij zal zeggen) wordt dan wa-jomèr (en hij zei).

Met deze informatie kunnen we pas waarderen hoe Genesis 1 eigenlijk begint. Toen God een aanvang maakte met het scheppen van hemel en aarde. Toen de wereld nog woest en leeg was en duisternis heerste over de afgrond en de adem (of geest) van God over de wateren zweefde, TOEN (gebeurde het, namelijk) sprak God: “Er zij licht.”

Hiermee wordt de oorspronkelijke tekst door een rigoreus vasthouden aan de Hebreeuwse syntaxis, en het negeren van een eeuwenlange vertaaltraditie die weer teruggaat op de Masoretische beslissingen, eigenlijk pas recht gedaan. Het ware karakter van Genesis 1 – dat dus niet een historische opsomming is van een reeks feiten, maar een weergave van het wezenlijke van Gods spreken – kan in deze benadering pas werkelijk naar voren komen.

Gebieden wij God in onze gebeden? – de imperatief in gebedstaal

Deze week citeerde ik psalm 143 als een aanwijzing voor de juiste intentie in het gebed. Het verzoek bijvoorbeeld of de Here dat gebed wil horen: “Luister naar mijn gebed, neem mijn smeekbeden ter ore.” Het aanroepen van Gods trouw als de basis voor dat horen: “verhoor mij naar Uw trouw.” De vermelding van Gods daden in het verleden: “Ik denk aan de dagen van ouds, ik over denk al uw daden.” En dan ook nog het fraaie verzoek in vers 10: “leer mij uw welbehagen te doen, want U bent mijn God.” En tenslotte het belang van de Naam, in het 11e vers: “Here, maak mij levend, omwille van Uw Naam.”

De kleine gemeenschap waar ik toe behoor, kent ook de gedachte – die eigenlijk hoort bij een heel ander type van gemeente en theologie, die ik altijd met de term Charismania omschrijf – dat wij, wanneer wij bidden, een beroep doen op Gods beloften. De vorm van ons gebed zou eigenlijk niet moeten zijn “Here, als u wilt… geef ons dan.” Het zou zoiets moeten zijn als: omdat u het wilt (en ik het al weet) zeg ik u wat ik van u verwacht, of nog sterker, zeg ik u wat u hier doen moet. Al dan niet gepaard met formules als “in de autoriteit van Jezus bid ik.” In charismatische kringen gaan dan vaste termen rondzoemen zoals “uitstappen”, en “in het gezag gaan staan.”

Nu even afgezien van het feit, dat de Here Jezus als volgt gebeden heeft: “Vader, als U het wilt, neem deze drinkbeker van Mij weg; moge evenwel niet mijn wil maar de uwe gebeuren” (Lukas 22:42). Nog even afgezien van dat andere feit, dat de melaatse in Lucas 5:12 als volgt bidt: “Heer, als U wilt, kunt U mij reinigen.” Aanwijzingen dus van een goede vorm van het gebed. Is het denkbaar, moeten we dan vragen, dat we tot God spreken in de gebiedende wijs? Dat we in de autoriteit van God spreken tot God?

We hadden daar even een klein gesprek over, bij de bidstond van afgelopen woensdag. En toen zei iemand, maar kijk nu eens naar psalm 143. Wat lezen we daar? Verhoor mij, ga niet in het gericht, verhoor mij spoedig, verberg uw aangezicht niet, doe mij, maak mij bekend, red mij, leer mij, maak mij levend, verdelg mijn vijanden. Is dat niet alles in de gebiedende wijs? Hoe staat dat dan in het Hebreeuws?

Dat laatste is een belangrijke vraag. De Hebreeuwse tekst en de Hebreeuwse taal zijn beslissend. Niet de Nederlandse grammatica van de vertalingen. Dus wat staat er dan in het Hebreeuws?

hoor – imperatief
antwoord (verhoor) – imperatief
ga niet in het gericht – jussief met negatie
haast u – imperatief
doe mij horen – imperatief
maak mij bekend – imperatief
red mij – imperatief
leer mij – imperatief
maak mij levend – jussief

In de psalm staat dus een overweldigende hoeveelheid vormen in de gebiedende wijs. Zou dat dan betekenen dat de psalmist “in de autoriteit van God” gaat staan? Maar hij spreekt hier God zelf aan! Laat God het dan toe, dat wij mogen staan op Zijn beloften, en dan God mogen gebieden?

In plaats van hoor! zou je in een gebed toch eerder verwachten: wilt u mij horen? En in plaats van “maak mij bekend!” zou je verwachten: “wilt u mij bekend maken.” Wat is nu toch de reden dat we met enkele uitzonderingen een imperatief zien staan?

Het zit hem in de grammatica. De imperatief in het Hebreeuws stelt een handeling voor als iets wat nog gedaan moet worden. Het komt alleen maar voor in een positieve vorm in de tweede persoon – enkelvoud of meervoud. (Met een negatie – doe niet! – wordt de jussief gebruikt met de negatie ‘AL) Vandaar dat wij doorgaans kunnen vertalen met een gebiedende wijs in het Nederlands. Jij moet horen, is hetzelfde als hoor!

Maar de imperatief in het Hebreeuws stelt een handeling ook voor als gewenst of als iets waarnaar verlangd wordt. En dat maakt de imperatief geschikt om te worden gebruikt in gebeden. Een handeling wordt voorgesteld als gewenst, wanneer wij in het Nederlands zeggen: moge het zo zijn dat u hoort; als u wilt, hoor; of, hoor toch! Maar in het Hebreeuws is het voldoende om de imperatief te gebruiken, omdat we aan de context kunnen zien dat de Heere wordt aangesproken, en we dus te maken hebben met een gebed, een verzoek of de uiting van een verlangen.

Daarom is de lijst van gebeden in psalm 143 geen reeks van opdrachten. Het zijn uitingen van verlangen en verzoeken om verhoring, op de wijze waarop in het Hebreeuws nu eenmaal gesproken wordt.

De letterlijke vertalingen die de Statenvertaling geeft, zouden aanleiding kunnen zijn van enorme misverstanden. Maar eigenlijk is dat niet echt het geval, omdat alle vertalingen de gebiedende wijs gebruiken, of het nu in het Engels, Duits of Nederlands is. En niemand denkt dat God hier een opdracht krijgt. Ook in het Nederlands is het dus zo, dat we de gebiedende wijs hebben leren gebruiken als de uiting van een verlangen, wens of gebed.

Uiteindelijk beslist de context.