De Hebreeuwse Bijbel volgens Robert Alter

In mijn boekenkast staat sinds gisteren “The Hebrew Bible”, een vertaling van het Oude Testament door Robert Alter.

Een goede vriend maakte mij attent op het werk van Robert Alter, die zijn sporen heeft verdiend in de literaire interpretatie van 18e en 19e-eeuwse literatuur, en ook van de moderne Hebreeuwse literatuur. Min of meer toevallig waagde hij zich aan een paar artikelen over teksten uit Genesis en de verhalen van koning David. Dat groeide uit tot een tweetal boeken over de narratieve analyse van Bijbelse teksten.

“The Art of Biblical Narrative” (1981) en “The Art of Biblical Poetry” (1985) zijn daarvan het gevolg. Het werk van de vertaling begon vrij snel daarna en tussen 1996 en 2015 vertaalde Alter het hele Oude Testament.

Het bijzondere van deze vertaling is zijn nauwkeurige analyse van de structurele kenmerken van de oude Hebreeuwse teksten. Het is zijn overtuiging dat het heilige karakter van de tekst juist het beste tot uitdrukking komt, wanneer rekening wordt gehouden met de syntactische en literaire structuren van de Hebreeuwse literatuur. Dogmatische overwegingen mogen geen rol spelen bij de weergave van de tekst.

Alter maakt ook geen gebruik van historische tekstkritiek waardoor bijvoorbeeld het boek Genesis wordt toegeschreven aan een aantal gereconstrueerde bronnen plus een jarenlange redactionele arbeid tot dat de tekst zijn huidige vorm kreeg. Evenmin lijkt hij zich iets aan te trekken van de Masoretische vocalisatie, dat wil zeggen de manier waarop de middeleeuwse joodse geleerden in Palestina en Babylon de Hebreeuwse Bijbel voorzagen van klinker- en voordrachttekens. Dat was een poging om de betekenis van de teksten nauwkeurig vast te leggen en dubbelzinnigheid uit te sluiten.

De benadering van de Hebreeuwse tekst zonder het werk van de Masoreten als gezaghebbend te beschouwen, heeft soms grote gevolgen voor de vertaling. En dat geldt ook voor de manier waarop de structuur van een tekst medebepalend wordt voor de betekenis ervan.

Een fraai voorbeeld van de verschillen die dan ontstaan, tussen de literaire benadering en de standaardvertalingen, is te vinden in Genesis 1:1.

De standaard vertalingen zeggen zoiets als: “In het begin schiep God de hemel en de aarde, en de aarde nu was woest en leeg en duisternis was boven de afgrond en de Geest van God zweefde over de wateren. En God zei: “laat er licht zijn.” En er was licht.

Alter vertaalt nu als volgt:
When God began to create heaven and earth, and the earth then was welter and waste and darkness over the deep and God’s breath hovering over the waters, God said: “Let there be light.” And there was light.

Je ziet meteen het verschil. Nu is vers 1 een aanduiding van een omstandigheid, een situatie. Ook van de aarde wordt een toestand uitgedrukt. De echte handeling, waarmee de geschiedenis begint, is dan pas te vinden wanneer God begint te spreken.

Dat is volkomen in overeenstemming met wat we weten van de syntaxis – de manier waarop zinsdelen met elkaar worden verbonden – van het Hebreeuws. Maar het is ook volkomen in strijd met de manier waarop de Masoreten geprobeerd hebben om de Hebreeuwse tekst van klinkertekens te voorzien.

Zij lazen: Be-resjiet bara elohiem. En daarom vertaalde men: in (be) het begin (resjiet) schiep (bara) God (elohiem). Waarom is dat nu verkeerd?

Omdat “resjiet” niet betekent “het begin”, maar “een begin van”. Omdat “bara” een interpretatie van de masoreten is van de letters BRA, dat ook – en waarschijnlijker – gelezen kan worden als BeRO, het scheppen. Daardoor krijgt resjiet de aanvulling die het grammatikaal nodig heeft en kunnen we vertalen: een begin van het scheppen. Het geheel krijgt dan de status van een “nominale zin” die doorgaans gebruikt wordt om een omstandigheid of situatie uit te drukken. In de meeste verhalende teksten zijn dergelijke zinnen een inleiding tot een volgende verbale zin, waarin een handeling wordt weergegeven door een zogenaamde “narratief” – een constructie van “ve”(meestal vertaald met “en”) plus een toekomende tijd met een klankverkorting. We jomar (en hij zal zeggen) wordt dan wa-jomèr (en hij zei).

Met deze informatie kunnen we pas waarderen hoe Genesis 1 eigenlijk begint. Toen God een aanvang maakte met het scheppen van hemel en aarde. Toen de wereld nog woest en leeg was en duisternis heerste over de afgrond en de adem (of geest) van God over de wateren zweefde, TOEN (gebeurde het, namelijk) sprak God: “Er zij licht.”

Hiermee wordt de oorspronkelijke tekst door een rigoreus vasthouden aan de Hebreeuwse syntaxis, en het negeren van een eeuwenlange vertaaltraditie die weer teruggaat op de Masoretische beslissingen, eigenlijk pas recht gedaan. Het ware karakter van Genesis 1 – dat dus niet een historische opsomming is van een reeks feiten, maar een weergave van het wezenlijke van Gods spreken – kan in deze benadering pas werkelijk naar voren komen.